zaterdag 19 oktober 2013

Apocalyps 2013


Het eerste oordeel.

 

“Het is begonnen !” Moeder rent jammerend de slaapkamer uit. Haar zoon luistert aandachtig naar de verwarde geluiden beneden uit de huiskamer. Zijn dekentje en pyjamabroek werden tot aan de knieën omlaag getrokken, maar hij voelt geen kou. Bij de dagelijkse onderzoeken in bed voelt hij reeds lang geen kou meer, hij voelt niets meer. Alleen de vochtige lippen van Moeder, stijf op zijn mondje geperst, kunnen hem nog angst aanjagen. Maar hij geeft geen krimp, hij weet wel beter, hij wacht tot het voorbij is.

De volgende morgen noemt Moeder hem ‘kleine bedrieger’. Hij begrijpt niet wat Moeder bedoelt en kijkt haar vragend aan. Zijn onbeschaamde oogopslag wordt snel bestraft met een harde klap in zijn gezicht. Vader slaat, vader grijnst en vader gaat werken.

Dan steekt Moeder van wal, haar gezicht vuurrood van woede en teleurstelling. Het kind begrijpt dat Moeder een gezegende vrouw is en hij een uitzonderlijk iemand. Aan Moeder werd immers de mogelijke wederkomst van Christus beloofd. Maar dank zij haar waakzaamheid werd een bedrieger ontmaskerd. Want gisteravond kreeg hij een stijf piemeltje en zoiets overkomt Christus niet. Nooit.

“Durf nu een tweede Hitler te worden en ik zal niet aarzelen je eigenhandig te doden”.

 

woensdag 3 september 2008

Kerstvakantie

Na het avondmaal ruimt oma al neuriënd de tafel af. Jantje droomt tussen zijn speelgoed in de salon. Hij wil een fort bouwen. Plots roept grootmoeder, “Kijk eens buiten, jongen. Het sneeuwt!” Hij loopt naar het raam en kijkt verrukt de donkere straat in. Duizenden sneeuwvolkjes jagen door het flauwe schijnsel van de lantaarns. Het vriest en langzaam vervagen de harde lijnen van de wereld onder een zacht sneeuwtapijt. Dan keert de peuter terug naar speelgoedland, terwijl hij de dwarrelende vlokjes voor het venster nauwlettend in de gaten houdt. Het mag nu vooral niet ophouden met sneeuwen.
Na een uurtje wordt het bedtijd en grootmoeder laat de rolluiken neer. Jantje werpt nog een laatste blik naar buiten. Hij verheugt zich al om de dag van morgen, het knerpen van de eerste sneeuw onder zijn behoedzame voetjes.
De kou in de kleine logeerkamer slaat hem rond de oren, maar kouder nog voelen de lakens van zijn bed, Jantje trekt een verschrikt gezicht. Grootmoeder glimlacht en sust hem, “Je mag even bij mij in bed komen liggen, daar krijg je lekker warm.” Hij volgt haar schoorvoetend op de overloop naar haar slaapkamer. Thuis mag hij nooit bij moeder en vader in bed. Wanneer oma het nachtlampje dooft, glijdt een gezellige schemer langs de kieren van de gordijnen de kamer binnen.
Jantje houdt van zijn grootmoeder, want ze laat hem met rust. Soms drinken ze samen een kopje heerlijk sterke koffie, iets wat hij thuis niet mag. En grootmoeder slaat noch schreeuwt. Grootmoeder lacht en zingt.
In haar knusse bed vleit de peuter zich tegen het warme lichaam van oma. Hij volgt het spel der schaduwen op het plafond. Thuis verbergen schaduwen afschuwelijke monsters, hier dwalen de gedaanten rustig en vriendelijk door de kamer. Hij voelt zich behaaglijk en geborgen.
Spijtig dat oma geen mooie vrouw is, denkt hij opeens, terloops. Spijtig, want hij zou liever naast een mooie grootmoeder liggen. Iemand die net zo mooi is als het buurmeisje thuis. Jantje schaamt zich snel om deze gedachte, want grootmoeder is lief en je kunt haar ook niet echt lelijk noemen. De buurvrouw naast oma, die is pas lelijk, met haar vette kop en dikke brillenglazen. En, grootmoeder mag dan wel volhouden dat Jantje braaf is, zijn moeder zal nooit rondstrooien dat Jantje een mooi kindje is. Een vaag gevoel van droefheid overspoelt hem.
“Ik houd van je, grootmoeder”, verzekert het ventje zijn bedgenoot en zichzelf met een gedempt stemmetje, “Ik houd zoveel van je, dat ik je zou kunnen vermoorden …” Zijn vingers grijpen in het ijle tussen de lakens, ze tasten naar een ingebeelde nek. Hij zoekt houvast.
Voor de draagwijdte van deze woorden hem verwart, verzucht de vrouw minzaam in zijn oor, “Brave jongen, waarom zou je mij willen vermoorden?” en ze slaat een arm om hem heen.
Haar aanraking verschrikt noch verstikt hem, zoals de aanrakingen van zijn moeder; noch vertedert ze hem, zoals een welwillend schouderklopje van een vreemde.
Integendeel, deze aanraking laat zijn lichaam stralen. Zijn spieren gloeien tot een vuurvaste vorm. Hij fluistert onbevreesd, “Oma, ik wil je vermoorden om je daarna opnieuw tot leven te wekken. Steeds weer opnieuw wil ik je vermoorden en tot leven wekken, opdat je altijd bij mij zult blijven, opdat je voor eeuwig en altijd van mij zult zijn. Alstublieft oma, blijf altijd bij mij. Het zal geen pijn doen, ik zal je nooit pijn doen. Je mag nooit meer dood gaan …”.
Het wordt stil in de kamer. Warm en stil in het bed waar het kleine lijfje meedeint op de rustige ademhaling van oma.
Moe maar voldaan, laat de jongen zijn blik dwalen over de schaduwen en kijkt. Oma is in slaap gevallen. Jantje aarzelt even maar spoedig wandelt hij door een prachtig wit landschap onder een loodgrijze hemel.

woensdag 20 augustus 2008

Het medeleven

Op een van die regenachtige laatste dagen van de zomervakantie keert de moeder zich plots tot haar zoon. De kleuter parkeert zorgvuldig zijn autootjes in de houten garage, door opa getimmerd als geschenk voor zijn verjaardag. Hij is zes en gaat volledig op in het spel. “Jantje, wij zitten hier lekker binnen en al die arme dieren daar buiten lijden door de koude en de vochtigheid”.
Het kind trekt een droevig gezicht, kijkt even voor zich uit, maar speelt verder.
“Ja, ja , trek je er maar niets van aan, dat is een makkelijke houding”, zucht ze diep.
Jantje aarzelt, zet zijn speelgoed neer en vraagt, “Wat moet ik dan doen, moeder?”
“Pfff, Als je dat nog niet weet, zul je het nooit weten” en smalend keert ze zich van hem af. Ze staart door het raam en vervolgt haar klaagzang. “De mensheid is slecht, alleen de dieren zijn goed, vergeet dat nooit”, besluit ze met een gebroken stem.
Moeder lijkt heel droevig en Jantje wil haar nu troosten, “Ik houd ook van de dieren en vooral van onze hond, moeder, maar ik houd nog het meeste van jou”.
“Waarom houd je het meest van mij? De hond is veel braver dan ik, veel braver dan jij, veel braver dan jij en ik samen”, stelt ze vast.
“Is het misschien omdat ik van alles doe voor jou en dat je me nodig hebt”, grijnst ze.
Jantje is onthutst en voelt zich in de hoek gedreven. Zonder na te denken probeert hij wanhopig, “Maar moeder, als ons huis zou branden , wie zou je dan eerst redden, de hond of ik…?”
Dat had de kleine niet moeten vragen.
“De hond natuurlijk! Kleine egoïst die je bent! Jij denkt alleen maar aan jezelf! Dieren zijn onschuldig en begrijpen niet wat er om hen heen gebeurt. Zij moeten gered worden. Maar jij, jij bent een mens, jij kunt het begrijpen, je moet jezelf maar redden”, ze kijkt hem vernietigend aan.
Snerend vervolgt ze, “Wacht maar, ik zal je eens leren wat zorgzame liefde is. Echte liefde is belangeloos, maar dat wil je niet weten, hé. Nooit zul je begrijpen wat echte liefde is, maar we zullen ons best doen voor je. Wacht maar tot vader komt, hij zal dat lesje er wel in kop kloppen. Hoeveel moeite en tranen heb je ons al gekost om je enigszins op te voeden, maar ooit, ooit zul je ons dankbaar zijn, dat weet ik zeker.”

De volgende dag, bij het begin van de maaltijd, neemt Jantje zijn bord van tafel. Zorgvuldig plaatst het kind zijn bordje op de grond bij het gasfornuis, naast de voederbak van de hond.
Vader en moeder kijken verbaasd ,“Wat doe je nu?”
“Ik wil een hond zijn”, zegt Jantje en hij begint moeizaam doch vreugdevol te slobberen.
“Ha, ha”, wat een gekke zoon hebben wij toch, lacht de moeder.
“Doe eens waf, waf”, grapt de vader

dinsdag 17 juni 2008

By Proxy

“Wat zou je doen als je vriendinnetje weg gaat?” vraagt moeder met een ernstige blik.
“Dan zoek ik een nieuw vriendinnetje”, stelt Jantje omomwonden.
“Jij weet niet wat liefde is”, antwoordt de vrouw meewarend.

Nu Marie-Louise verdwenen is in haar huwelijk, lijkt Jantje het zoeken reeds vergeten. Schijnbaar doelloos dwaalt hij door huis en tuin. Nu eens verkent hij rommelige koterijen, dan weer speurt hij op klamme zolderkamers. Deze eenzame plaatsen bezorgen hem een vreemd gevoel in de buik. Alsof hij aan de rand van een prachtige afgrond staat. Waar kostbare schatten verborgen liggen. Af en toe verstopt hij zich in een stoffig hoekje, luistert gespannen naar voetstappen en haalt dan snel zijn piemeltje tevoorschijn. Hij trekt tot de warme gloed zijn geest benevelt. Met een verhit gezicht rept hij zich vervolgens zo onopvallend mogelijk naar een of andere schuilplaats in dit grote ouderlijke huis.

Jongens en meisjes uit de buurt interesseren hem maar matig. Zij trappen stomweg tegen een bal of lummelen wat rond. Vervelende kinderen. Na tien minuten riddertje spelen zijn ze het spel al beu; Jantje kan urenlang opgaan in zijn fantasie. Tot moeder hem roept. Onverbiddelijk. Want moeder loert op hem. Waneer hij met leeftijdsgenootjes speelt, mag hij nooit het voortouw nemen. “Je mag anderen niet domineren”, snauwt ze dan. Noodgedwongen moet hij zich neerleggen bij wat anderen willen en zoals hij weet, dat stelt weinig voor.

Ook wanneer hij alleen speelt, houdt moeder haar zoon nauwlettend in de gaten. Toch kan ze hem zelden betrappen op zijn intieme bezigheden. Zware straffen hebben Jantje vlug en alert gemaakt (Maar nooit zonder eten naar bed. Er wordt goed voor hem gezorgd). Met argwaan bekijkt ze de rode kleur op zijn wangen, zijn verhitte gezicht.
Op een avond hoort Jantje doktor Godart op bezoek komen. Een hevige onrust maakt zich plots van hem meester. Hij klautert uit bed, sluipt naar benenden en luistert met ingehouden adem aan de deur van de woonkamer, naast de trap. Moeder beklaagt zich onder andere over zijn veronderstelde bezigheden met zijn piemel. Hij hoort de krakende stem van de doctor, “Geen nood mevrouwtje, als ‘het’ te lastig wordt zullen we ‘het’ wel behandelen. We kunnen ‘het’ medicatie geven zodat ‘het’ vanzelf ophoudt”.
Jantje weet wie ‘het’ is; ‘het’ dat is Jantje zelf. Schuifelende voetstappen. Gek van angst strompelt de kleuter trap op en duikt onder de lakens.

Vandaag verbergt hij zich naast een kast boven in het trappenhuis. Het licht, dat door het zolderraam valt, laat goudstof dwarrelen. Hij dagdroomt, hij denkt aan Marie-Louise. Plots een koude sneer in zijn hals. Moeder heeft het kind heimelijk achtervolgd en betrapt hem. Haar ogen vonken wild. Wanhopig frunnikt Jantje, maar een stijf piemeltje laat zich niet makkelijk in de broek duwen. Met een pijnlijke bult op zijn buik wordt hij van de trap gesleurd.
“Kleren aan en naar de doktor!”, beveelt de vrouw.
“Nee, niet naar de doktor! Ik heb geen pijn, ik ben niet ziek…” Het kind jankt en smeekt.
Half aangekleed trekt de moeder haar schamele zoon door de straten. Hand in hand. Zijn vingers worden geplet. Af en toe lacht zij luidkeels. Mensen houden halt en kijken. Moeder staart in het ijle, met een verkrampt gezicht, alsof ze spoken najaagt.
Een spoedgeval! De echtgenote van de arts begeleidt hen naar de wachtzaal. Na een minuut komt de man in witte jas aangerend.
Hijgend verklaart de vrouw, “Mijn zoon heeft iets in zijn piemel gestopt…”
De doktor beveelt ‘het’ op de onderzoekstafel te gaan liggen en rommelt in een belendend lokaal op zoek naar iets.
Het kind denkt na en raakt hevig verward. Hoe kan hij iets in zijn piemel gestopt hebben? Hij probeert de onmogelijkheid van deze veronderstelling aan zijn moeder uit te leggen.
Maar zonder te verblinken grijnst ze hem toe,”Dat zal je dan een lesje zijn, kleine smeerlap!”
De verwarring duurt niet lang. De doktor komt terug met een lange dunne buis. Op een teken van de man knelt moeder zijn hoofd vast. De broek wordt van zijn billen getrokken. De buik ruw betast. Een schroeiende pijn doorsnijdt plots zijn piemeltje. Jantje gilt.
“Stil”, gebiedt de doktor, “of je krijgt nog meer pijn”.
Hij duizelt wanneer hij terug op de grond wordt gezet. Zijn buik brandt en klopt. Moeder trekt zijn broek op.
“Nee, helemaal niets te zien hoor, mevrouwtje. Toch goed dat je gekomen bent, je weet maar nooit met die jongen,” sust de doktor minzaam.
Moeder bedankt de oude man. Moeder glimlacht. Moeder is tevreden. En nu een mooie wandeling terug naar het veilige thuis.

donderdag 12 juni 2008

Wraak

“Ik heb geen zin om naar dat feest te gaan.”
“Hoezo? Je houdt toch van haar?” Moeder fronst haar wenkbrauwen. Vervolgt dan gedecideerd, “Nee, Marie-Louise staat erop dat je de bruidsjongen bent. Je mag haar niet ontgoochelen. En ze ziet je graag.”
Jantje weet dat weerstand zinloos is. De wereld, de mensen en vooral zijn moeder zouden hem de grootste smeerlap ter wereld noemen. Wie zich ooit tot de liefde heeft bekent wordt besneden. Eigen belang, eigen gevoel voorgoed vergooid. Het bloedend hart voedt genadeloos haar slaven.
Verslagen buigt de zoon het hoofd. Gehoorzaam en je zult leven. Is doodgaan erger dan leven? Even wijken de muren uiteen. Doch de troost der dagelijkse bezigheden snelt ter hulp. Hij wordt ruw gewassen en in nette kleren gehesen. Vader en moeder hollen ruziënd door het huis. “Waar is mijn das?” “Haast je, we komen nog te laat!” “Steek die katten buiten…”. Jantje laat zich drijven op de golven van rumoer. Zijn hoofd voelt nu aangenaam loom. In de verte sist een waterval. Hij is in goede handen.

Glimlachend stapt hij door de zwarte poort van de kerk. Geurige wierook en schitterende kaarsen milderen de kracht van dit ontzagwekkend bouwwerk. Warm, donker en vochtig, hier voelt Jantje zich thuis. In het halfduister, aan beide zijden van de middenbeuk, ontwaart hij dichte drommen mensen. Lange jassen, strak in het gelid. Vastgeklonken aan zware houten banken, kijken de volwassenen hem roerloos aan. Jantje voelt zich veilig. Plechtig schrijdt hij naar het altaar waar het bruidspaar wacht. De bos witte anjers stevig in zijn hand.

De wereld is speelgoedland waarin peuter Jan omzichtig vertoeft. Bruid en bruidegom glunderen vol verwachting naar de bruidsjongen. De priester knikkebollend aan hun zij. Jantje heft de ruiker. Jantje is almachtig. Hij kijkt Marie-Louise diep in de ogen. Ze glimlacht teder. Dan werpt hij een snelle blik op de bruidegom, een keurig uitgedoste jonge man. Deze vriendelijke kerel lijkt in niets meer op zijn rivaal, de boerenpummel van ooit. Zonder aarzelen overhandigt Jantje hem het bruidsboeket.

Klamme mantels, haastige stemmen en een venijnige por maken een einde aan zijn glansrol.
“Waarom deed je dat?” bijt vader hem toe. Moeder is de wanhoop nabij, maar woede is nader. De bruidegom schenkt ondertussen lacherig de bos witte anjers aan zijn vrouw.
“Pardon, ik heb me vergist. Ik was het vergeten...” Jantje imiteert het gezicht van een gipsen engeltje op de pilaar rechts van het altaar. Niemand merkt, in zijn linkeroog flikkert de schittering van het wraakzuchtige beest. Een grijnslach in de valkuil van eenzaamheid.

Dan komt de mist, de vergetelheid der dagelijkse bezigheden.

woensdag 14 mei 2008

Meditatie van Frater Bernardus

Ik neukte je
En ik wist niet
Jij was een geschenk van de Allerhoogste

Frater Bernardus boert dichter

Haat me, mijn liefste, haat me
Haat me
Ik zal je verraden
Ik zal sterven en
Je grenzeloos verlaten