“Wat zou je doen als je vriendinnetje weg gaat?” vraagt moeder met een ernstige blik.
“Dan zoek ik een nieuw vriendinnetje”, stelt Jantje omomwonden.
“Jij weet niet wat liefde is”, antwoordt de vrouw meewarend.
Nu Marie-Louise verdwenen is in haar huwelijk, lijkt Jantje het zoeken reeds vergeten. Schijnbaar doelloos dwaalt hij door huis en tuin. Nu eens verkent hij rommelige koterijen, dan weer speurt hij op klamme zolderkamers. Deze eenzame plaatsen bezorgen hem een vreemd gevoel in de buik. Alsof hij aan de rand van een prachtige afgrond staat. Waar kostbare schatten verborgen liggen. Af en toe verstopt hij zich in een stoffig hoekje, luistert gespannen naar voetstappen en haalt dan snel zijn piemeltje tevoorschijn. Hij trekt tot de warme gloed zijn geest benevelt. Met een verhit gezicht rept hij zich vervolgens zo onopvallend mogelijk naar een of andere schuilplaats in dit grote ouderlijke huis.
Jongens en meisjes uit de buurt interesseren hem maar matig. Zij trappen stomweg tegen een bal of lummelen wat rond. Vervelende kinderen. Na tien minuten riddertje spelen zijn ze het spel al beu; Jantje kan urenlang opgaan in zijn fantasie. Tot moeder hem roept. Onverbiddelijk. Want moeder loert op hem. Waneer hij met leeftijdsgenootjes speelt, mag hij nooit het voortouw nemen. “Je mag anderen niet domineren”, snauwt ze dan. Noodgedwongen moet hij zich neerleggen bij wat anderen willen en zoals hij weet, dat stelt weinig voor.
Ook wanneer hij alleen speelt, houdt moeder haar zoon nauwlettend in de gaten. Toch kan ze hem zelden betrappen op zijn intieme bezigheden. Zware straffen hebben Jantje vlug en alert gemaakt (Maar nooit zonder eten naar bed. Er wordt goed voor hem gezorgd). Met argwaan bekijkt ze de rode kleur op zijn wangen, zijn verhitte gezicht.
Op een avond hoort Jantje doktor Godart op bezoek komen. Een hevige onrust maakt zich plots van hem meester. Hij klautert uit bed, sluipt naar benenden en luistert met ingehouden adem aan de deur van de woonkamer, naast de trap. Moeder beklaagt zich onder andere over zijn veronderstelde bezigheden met zijn piemel. Hij hoort de krakende stem van de doctor, “Geen nood mevrouwtje, als ‘het’ te lastig wordt zullen we ‘het’ wel behandelen. We kunnen ‘het’ medicatie geven zodat ‘het’ vanzelf ophoudt”.
Jantje weet wie ‘het’ is; ‘het’ dat is Jantje zelf. Schuifelende voetstappen. Gek van angst strompelt de kleuter trap op en duikt onder de lakens.
Vandaag verbergt hij zich naast een kast boven in het trappenhuis. Het licht, dat door het zolderraam valt, laat goudstof dwarrelen. Hij dagdroomt, hij denkt aan Marie-Louise. Plots een koude sneer in zijn hals. Moeder heeft het kind heimelijk achtervolgd en betrapt hem. Haar ogen vonken wild. Wanhopig frunnikt Jantje, maar een stijf piemeltje laat zich niet makkelijk in de broek duwen. Met een pijnlijke bult op zijn buik wordt hij van de trap gesleurd.
“Kleren aan en naar de doktor!”, beveelt de vrouw.
“Nee, niet naar de doktor! Ik heb geen pijn, ik ben niet ziek…” Het kind jankt en smeekt.
Half aangekleed trekt de moeder haar schamele zoon door de straten. Hand in hand. Zijn vingers worden geplet. Af en toe lacht zij luidkeels. Mensen houden halt en kijken. Moeder staart in het ijle, met een verkrampt gezicht, alsof ze spoken najaagt.
Een spoedgeval! De echtgenote van de arts begeleidt hen naar de wachtzaal. Na een minuut komt de man in witte jas aangerend.
Hijgend verklaart de vrouw, “Mijn zoon heeft iets in zijn piemel gestopt…”
De doktor beveelt ‘het’ op de onderzoekstafel te gaan liggen en rommelt in een belendend lokaal op zoek naar iets.
Het kind denkt na en raakt hevig verward. Hoe kan hij iets in zijn piemel gestopt hebben? Hij probeert de onmogelijkheid van deze veronderstelling aan zijn moeder uit te leggen.
Maar zonder te verblinken grijnst ze hem toe,”Dat zal je dan een lesje zijn, kleine smeerlap!”
De verwarring duurt niet lang. De doktor komt terug met een lange dunne buis. Op een teken van de man knelt moeder zijn hoofd vast. De broek wordt van zijn billen getrokken. De buik ruw betast. Een schroeiende pijn doorsnijdt plots zijn piemeltje. Jantje gilt.
“Stil”, gebiedt de doktor, “of je krijgt nog meer pijn”.
Hij duizelt wanneer hij terug op de grond wordt gezet. Zijn buik brandt en klopt. Moeder trekt zijn broek op.
“Nee, helemaal niets te zien hoor, mevrouwtje. Toch goed dat je gekomen bent, je weet maar nooit met die jongen,” sust de doktor minzaam.
Moeder bedankt de oude man. Moeder glimlacht. Moeder is tevreden. En nu een mooie wandeling terug naar het veilige thuis.