donderdag 17 april 2008

De verschijning.

“Denk je werkelijk dat Marie-Louise je graag ziet?” Nog voor Jantje kan opkijken, vervolgt de vader smalend, “Volgende maand trouwt ze”.
Trouwen is een feest met veel eten, veel drank en muziek, meer begrijpt de peuter niet.
“En wanneer ze getrouwd is, gaat ze weg en je zal haar nooit meer zien”, verklaart vader.
Droevig staart het ventje voor zich uit. Met hangende schouders eet hij zijn bordje leeg. Er mogen geen restjes in het bord overblijven, anders volgt er straf.
“En trouwens, je houdt ook niet echt van haar.” Jantje schrikt van die plotse harde woorden van zijn moeder. Al verwacht hij van haar geen steun bij de plagerijen van vader, toch verrast deze uitspraak hem. Hij wil protesteren, doch moeder is hem te vlug af, “Als je werkelijk om iemand geeft, dan heb je geen zin om te eten, dan krijg je geen hap door je keel. Jij eet gewoon door en dat vormt voor mij het bewijs dat je niet echt van iemand houdt. Opnieuw betrapt ik je dus op een grove leugen. Waag het niet mij tegen te spreken!”
De peuters is in de war: wanneer hij niet eet krijgt hij straf en nu hij braaf zijn bordje leeg maakt, wordt hij beschuldigd. Misschien heeft zijn moeder gelijk en houdt hij helemaal niet van Marie-Louise, misschien houdt hij inderdaad van niemand. Hij verblijft weliswaar graag bij buurmeisje Marie-Louise, want ze is altijd lief en speelt heerlijke muziek op haar accordeon, dan danst en zingt het ventje van pure vreugde. Jantje houdt van vriendelijke mensen, van muziek, van dansen, zingen en tekenen, omdat deze zaken hem een plezierig gevoel schenken. Misschien is hij inderdaad een grote egoïst, slechts bekommerd om eigen plezier. Er zit veel waarheid in de woorden van zijn moeder. Hij is er op uit zoveel mogelijk de gerechtvaardigde straffen te vermijden, die kleine valse gluiperd.
De ouders bemerken zijn gepeins. Vader komt naast hem staan en vraagt “Twijfel je aan de liefde? Dan zal ik je helpen. Ik zal je verlossen.”
De man neemt zijn zoon bij de hand en zegt, “Jij zingt en danst graag? Dan zullen we zingen en dansen.” En met luide stem zet hij in:
“Marie-Louise, Marie-Louise,
ze heeft kromme benen en de ogen van een puit
ze heeft een schele kop en een hele dikke buik
Marie-Louise, Marie-Louise,
ze is nog stommer dan mijn kat
want je tapt geen wijn uit een olievat.”
Vol afschuw wil de peuter zich losrukken uit de greep van zijn huppelende vader. Maar de man knijpt zijn handje bijna tot moes, hij draagt nogmaals het versje voor en beveelt hem te zingen. Ontredderd weigert de kleuter die vreselijke woorden over zijn dierbaar vriendinnetje uit te spreken.
Nu grijpt de moeder in, “Jij kleine egoïst, je vader wil met je spelen en weeral weiger je hem dat plezier. Je denkt slechts aan jezelf. Walgelijk kind!”
Zelfzuchtige kinderen verdienen een pak rammel. Vandaag heeft de peuter recht op een dubbel pak slaag. Terwijl vader zich uitslooft, preekt de moeder over liefde en genegenheid.
De toewijding van de ouders wordt beloond. Met rode wangen, betraande oogjes en een pijnlijk achterwerk ontdooit het kind. Haperend heft hij vaders’ lied aan. De woorden kroppen in zijn keel, doch pijn en angst overwinnen alles en met steeds luider stem zingt hij. Wankelend poogt hij een dansje. Hij danst en hij zingt voor zijn leven.
Na een poos houdt vader hem staande, “Zie je wel dat het je lukt. Was dat nu zo moeilijk?” En hij vervolgt, ”Nu ben je klaar om Marie-Louise te vergeten. Nu zal je geen pijn meer voelen wanneer ze je verlaat. Nu ben je van haar verlost. Ik ben fier op je. Zij heeft je verraden en je hebt laten zien en horen dat je kan terugslaan. Als iemand je bedroeft, denk dan aan het lied dat je gezongen hebt”.
En moeder besluit, “Het was goed van je om met je vader te spelen. In het leven kun je niet altijd je zin krijgen, zo leer je ook eens iets voor een ander te doen. Maak je geen zorgen, het is niet erg dat niemand van je houdt en je hoeft ook van niemand te houden. Wij houden van je en zolang je van ons houdt, is alles in orde. Ga nu maar rustig slapen”.
Jantje neemt afscheid van de liefhebbende ouders en klimt de trap op naar zijn zolderkamer. Vreugde, noch angst voelt hij, slechts de vertrouwde leegte na een bolwassing. Op de overloop van de eerste verdieping ontwaart hij een flauw lichtschijnsel rechts op de muur. Hij meent de weerkaatsing van een lamp te zien en schenkt er weinig aandacht aan. Toch vreemd dat het licht schijnt te bewegen en lijkt uit te deinen. Plots draait de lichtbron als een caleidoscoop open en het gelaat van een vrouw verschijnt. En het gezicht leeft! Het aangezicht van de vrouw is doordrongen van levende zilverwitte stralen. Nog nooit heeft Jantje zo'n helder en zuiver wit licht gezien. De peuter staart naar de verschijning en voelt een intense rust. Hij herkent het aangezicht, het is het gezicht van Marie-Louise! Dan spreekt de verschijning met een stem die nergens vandaan komt, alsof de stem in zijn hoofd weerklinkt, “Ik zal altijd bij je blijven. Altijd”. Ze lacht hem toe en dan verdwijnt ze weer, de caleidoscoop draait dicht.
Als door een wonder gesterkt draait Jantje zich om, daalt de trap af en stapt vastberaden de keuken binnen. Zonder dralen verklaart hij aan zijn verbaasde ouders, “Ik heb Marie-Louise gezien en ze zegt dat ze altijd bij me zal blijven.”
De ouders lijken door een vreemde macht getroffen, ze reageren niet boos, noch gestoord, noch met de gekende spot. Ze luisteren en op rustige toon antwoord de moeder, “Het is goed mijn jongen, ga nu maar naar je bedje”. De vader zwijgt.
Plechtig draait de peuter zich om, alsof hij zich beschermd weet door een onbekende kracht. Hij begint aan de tweede beklimming naar zijn zolderkamertje. Hij stapt niet, hij schrijdt, hij zweeft.
Zoals hij kon vermoeden, de volgende dag hebben vader en moeder het voorval reeds vergeten. Of heeft de verschijning hun geheugen gewist? Een betovering duurt slechts één nacht.