woensdag 5 maart 2008

De getuige (opgedragen aan Neria)

Rumoer op de speelplaats van de kleuterschool. Kinderen rennen dolle rondjes of huppelen vreugdedansjes. De bron van het kabaal situeert Jan in een hoek aan de hoge muur rechts van het schoolgebouw, waar onder statige lindebomen enige rustbankjes zijn opgesteld.
‘Ze deelt snoepjes uit’, roepen kinderen hem toe wanneer hij informeert.
Aarzelend schuifelt Jan naar de plek onder de bomen. Hij is niet echt geïnteresseerd in snoepgoed, hij koopt nooit spekken; het wekelijks zakcentje van grootmoeder verdwijnt steevast in zijn spaarvarken.
Tegen de tijd dat hij het brandpunt van zijn nieuwsgierigheid nadert, lijkt de plaats op één iemand na te zijn verlaten. Op een bankje gezeten staart een meisje droevig voor zich uit. Heeft zij misschien geen snoep gekregen? Voor Jan kan vragen waarom ze zo treurig kijkt, slaat ze de ogen neer en bijt hem toe, “Nee, ik heb geen spekken meer. Ga weg! Jullie willen alleen maar snoep …”. Dan kijkt ze hem recht in de ogen, met meer ellende dan boosheid in haar blik.
Ietwat onthutst prevelt Jan dat hij helemaal niet op lekkers uit is, dat hij niet wist dat zij het snoepgoed uitdeelde, kortom hij gaat zich te buiten aan verontschuldigingen.
Zijn gestuntel tovert een glimlach op haar gezicht. Haar boosheid is verdwenen, Jan voelt zich gesterkt en stelt opnieuw zijn vraag.
Het meisje zucht en vertelt. Haar vader gaf haar een zak met snoepgoed, maar haar vader is stout. Hij doet stoute dingen met haar en wanneer zij protesteert, slaat hij haar. Vandaag is ze erg kwaad omdat hij haar opnieuw sloeg en nu wil ze zijn snoepjes niet meer, ze deelt ze uit. Maar ook de kinderen zijn niet lief voor haar. Ze bedanken haar niet, integendeel ze willen steeds meer snoepgoed en bovendien worden ze kwaad wanneer haar zakje leeg is. Eerst bedreigen ze haar, dan verliezen ze alle aandacht en laten haar eenzaam en alleen achter.
Een treurig verhaal. Jan voelt de vlaag van herkenning en zegt, ‘Ik begrijp je, mijn vader slaat me ook. Wees maar niet bang, ik ben niet op je snoepgoed uit’. Hij staart in de verte.
Plots staat het meisje recht.
Jan voelt een natte kus op zijn wang en schrikt even; het meisje kijkt hem ernstig maar vriendelijk aan. De eerste kus van een meisje!
Overspoeld door een vreemd gevoel wil de peuter zijn vriendinnetje verdedigen. De omzichtige jongen verandert in een dapper baasje.
“Laten we samen vechten’, stelt hij plechtig, ‘Samen tegen onze stoute vaders. Samen zullen we overwinnen’. Strijdlustig balt hij een vuist.
Maar opnieuw lijkt droefheid het meisje te overspoelen en ze aarzelt, “Maar ik houd van mijn papa. Ik houd van hem …”. Ze droomt langs hem weg.
‘Houden van …’, deze woorden klinken hol in zijn hoofd. Het gelukzalig gevoel van daarnet is uitgeveegd. Wat rest is minachting.

6 opmerkingen:

סוזט ממן zei

'[M]inachtig' voor wie, of voor wat?
It's pretty amazing you remember all this stuff, though I can guess why.

Thank you.

frater Bernardus zei

I think many explanations are valid about the feeling of contempt within the boy: jalousie, aggression, associations by experiences, words spoken by parents, etcetera. My guess is, a poisoned a mixture of all this.
And contempt is definitely a love killer, many psychologist state.

סוזט ממן zei

Yes, it's true, although I never felt contempt to anybody long enough. I never thought about it before. From my experience there are few other things that kill love. Despair too, the knowledge that the person you love will never change and there's no point hanging around him anymore. Anger (but this too is a short time living feeling).
But what do I know, there are many kinds of love. I still love my (long dead and burried) cat. I don't love my any of the men I used to love in the past but I don't feel contempt to any of them just a terrible tiredness.

frater Bernardus zei

Despair for love, I understand too very well.
About old memories, frater Bernardus in a poetic mood would say:
“As a ghost I haunt the ruin of my graveyard
A company of lost souls shall
Anchor my roots in bottomless flesh”

סוזט ממן zei

No :) I meant despair not for love but from the object of my love. Despair slowly chokes feelings of love. I think love has elements of hope in it and without hope there's no love.

I'm not sure I totlly understood the Frater Bernardus in the poetic mood... Sorry ;)) Maybe I didn't want too (no smiles)

סוזט ממן zei

It's the "bottomless flesh" that was too much for me. It gives me some aweful associations.