Donderdagmiddag. Vandaag geniet de schoolgaande jeugd een vrije namiddag. Een moeder voert een peuter achterop haar fiets naar huis. Vanuit zijn rieten fietszitje bespiedt Jantje de wankele wereld. Hij houdt schijnbaar achteloos de lawaaierige groepjes opgeschoten jongens in het oog. Groepen fascineren hem, ze stralen een vreemde pulserende kracht uit. Als een zwerm roofvogels ballen ze samen en waaien ze uit, ze vertragen, draaien om een denkbeeldige as en stormen vervolgens in een willekeurige richting naar een onzichtbaar doel. Je mag nooit een meute trotseren door ze recht aan te kijken, want dan voelen ze zich uitgedaagd en komen ze je afrossen. Je mag ook nooit voor ze vluchten, want dan voelen ze zich oppermachtig en jagen ze je de halve stad door. Je moet de meute slinks in de gaten houden, dan negeren ze je, misschien. Op de fiets van zijn moeder voelt Jan zich veilig voor het geweld, als je de scheldwoorden niet meerekent tenminste.
Aan een druk kruispunt nabij de brug houdt de moeder halt. Iets trekt haar aandacht. Plots slaakt ze een jammerklacht: “Och God toch, bezie die hond daar aan de overkant.”
Moeder is een dierenvriend, weet Jan.
Ze stapt af, leidt haar fiets aan de hand en steekt de straat over naar een brede inham tussen twee huizen.
Jan is getuige van een verontrustend schouwspel; gelukkig zit hij veilig en hoog op de fiets. Een grote hond rent als een dolleman zijn staart achterna. Stof en verdorde bladeren stuiven in het rond.
“Een brave hond, maar hij is ergens bang voor. Straatjongens hebben hem waarschijnlijk gepest”, merkt moeder op en resoluut stelt ze: “We moeten het arme dier troosten!”
De peuter is niet bang voor dieren, toch boezemt deze hond hem weinig vertrouwen in. De ogen van het dier puilen bloeddoorlopen uit. Zijn haren staan wild overeind en zijn scherpe witte tanden flitsen door dikke vlokken schuim. Heeft iemand deze hond gewassen maar niet afgespoeld? Prikt dat rare zeepsop in zijn oogjes? Volgens Jan ziet de hond er niet gelukkig uit, integendeel, hij lijkt wel boos of radeloos.
Tot zijn ontzetting tilt zijn moeder hem uit het zitje. “Laten we weg gaan, mama”, probeert hij. Het ventje is niet opgezet met een moeder die deze hond wil aaien.
“Hé! Ben je bang?” De moeder kijkt hem opeens onderzoekend aan.
“Je ziet er verschrikt uit. Waarom?”, ondervraagt ze.
Zonder het antwoord af te wachten grijpt de moeder hem bij de kraag en vervolgt met schrille stem, “Heb je die hond misschien ooit pijn gedaan? Dan zou je reden hebben om bang te zijn, want dieren vergeten niets. Vertel maar!” Ze schudt Jan door elkaar.
“Nee, mama, ik heb die hond nooit pijn gedaan. Maar ik ben een beetje bang, want hij ziet er erg kwaad uit”, stamelt de jongen.
“Welnee, die hond is helemaal niet boos, hij voelt zich ongelukkig. Bang? Jij hebt geen reden om bang te zijn! Als je niets misdaan hebt, hoef je niet bang te zijn. Tenzij?... Koester je soms verkeerde gedachten? Verlang je er soms heimelijk naar om dieren te pijnigen? Dat zou een oorzaak voor je angst kunnen zijn. Vooruit, spreek op! Maar pas op, dieren kunnen je diepste gedachten peilen. Dieren zijn als God!” Haar ogen vonken.
Het kind staart verward voor zich uit. Wanhopig probeert hij te achterhalen waar en wanneer hij ooit stout is geweest. Heeft hij wel eens een gekke bek getrokken naar een kat? Opzettelijk een mier vertrapt? Een brutale merel de tuin uit gejaagd? Hij herinnert zich de vechtlustige hanen bij zijn grootmoeder; en inderdaad, hij slaat ze wel eens met een twijg als ze naar hem pikken…
Plots hurkt zijn moeder voor hem neer, ze slaat beide armen om zijn hals en kust hem.
“Ik weet zeker dat de hond niet kwaad is op je. De hond weet dat je braaf bent. Ga nu maar.” Ze staat recht en kijkt hem even bewonderend aan. Het kind voelt zich opgelucht.
Dan duwt ze haar zoon kalm maar vastberaden naar de inham op de stoep, “Streel de hond jongen, streel hem zachtjes, streel die lieve hond…”
Het kind weet dat verzet zinloos is. Als een mechanisch poppetje, de rechterhand schuin voor zich uitgestrekt, nadert hij de razende hond. Het dier remt pal voor hem af, wat hij als een gunstig teken beschouwd. Jantje vat moed.
Een bliksemschicht! Hel witte vonken spatten in het rond. Een hete gloed trekt over zijn wang. Een stormwind vangt hem in een draaikolk. Zijn hand voelt vettig en zwaar. Langzaam kantelt de wereld in wollige beelden. Jan is moe, Jan wil slapen.
“Een doctor, een doctor!” gilt iemand ver weg.
Laat in de namiddag komen de moeder en de opgelapte zoon terug thuis. Het rillende kind wordt in bed gestopt.“Huil maar niet, jongen, straks ben je weer genezen. We zullen goed voor je zorgen, al weten we nu dat je geen heilige bent, hé”, vertroost de moeder hem schalks en ze besluit, “Ik heb goed nieuws voor ons. Die arme brave hond wordt niet afgemaakt, daar heb ik zelf persoonlijk voor gezorgd. Slaap lekker en zoete dromen, lieverd.”
KARMA
7 jaar geleden

Geen opmerkingen:
Een reactie posten