zaterdag 23 februari 2008

Heilige kindsheid (1933) De moeder ontwaakt

Een 5 jarige weesmeisje dwaalt over een vreemd erf. Haar stiefouders, een tante en een haar man Oscar de smid, nippen aan een glaasje Elixir d’anvers in de rokerige eetplaats van een oude boerderij. Rond de massieve tafel gonst het van verhalen over de grote oorlog, de prijs van de patatten en het zere been van boer Lutteljé. De ontvangst van de zondagse visite verloopt zoals steeds hartelijk. Koffie, likeur en sigaren kleuren de dag.
Om 5 uur bereidt de gastvrouw het avondmaal. Vers brood, beste boter met als toespijs hesp, kaas en confituur worden uit de keuken aangevoerd. Ze telt de aanwezigen en reserveert voor elk een proper bord. Het bonte gezelschap tast gretig toe. Plots merkt de stiefmoeder de lege plaats bij een bord op. Waar is het kind? In paniek springt ze recht en rent naar buiten. Haar echtgenoot volgt haar met sussende woorden, want de grachten rond het erf zijn diep en het water is koud.
Aan tafel verzucht een blozende boerin, “Zie ze eens zoeken naar dat weeskind. Dat vreet en woont daar voor niks. Bij ons zou het moeten werken voor de kost”.
“Ze hopen waarschijnlijk op haar zorg voor hun oude dag”, grinnikt haar man.
“Op de dankbaarheid rekenen van dat stuk ongeluk? Wacht maar, op een dag verdwijnt dat schepsel met de vetpot van de smid”, smaalt de brute kop van een beestenkoopman. Een gulle Vlaamse lacht rolt over de rijk gevulde tafel.
Het weesmeisje voelt zich ongelukkig maar klaagt niet. Haar twee jongere zusjes, Jeanne en Rachel, die bij een vreemde worden opgevoed, hebben nauwelijks te eten en de kachel staat er meestal koud. Een koud huis met een warm hart, want de vreemde vrouw is een goed mens, maar daar heeft een kind geen weet van.
Goed gevoed en dik gekleed loopt het meisje in de lentezon. De koeien, de varkens, de kippen, alle dieren wil ze aaien, doch ze stuiven omzichtig uit elkaar. Treurig vervolgt ze de eenzame zoektocht. Ze volgt een vlucht kraaien boven de moestuin tot de vogels luid krassend verdwijnen achter een vervallen schuurtje. In een struik naast het zandpad hoort ze opeens een zacht gehijg. Achteloos duwt ze takken opzij en staat plots oog in oog met een grote zwarte hond. Het kwijlende beest kijkt haar vanachter dik kippenhaas nieuwsgierig aan, een tweede exemplaar komt met gespitste oren aangerend. Even aarzelt het kind, maar deze dieren zijn niet bang, ze lopen niet weg. Zou ze eindelijk een paar vriendjes gevonden hebben? Hoopvol stapt het weeskind langs het hondenperk, vindt een grendel en opent het hekje.
De stiefmoeder kan ternauwernood een gil onderdrukken, ze blijft stokstijf staan. Voorzichtig rept nonkel Oscar zich naar de hoeve. Rumoer! De mannen verzamelen zich, de eigenaar laadt zijn jachtgeweer. De bloedhonden, de kleine zit bij de bloedhonden en heeft het hek opengezet!
Jaren later zal het weeskind verhalen, “De volwassen durfden de omheining niet in. Ze smeekten me voorzichtig het perk te verlaten. Daarna smeten ze het hek dicht, de honden waren als bij wonder binnen gebleven.”
Na hun actie wrijven de mannen zich ongelovig door de haren. Deze waakhonden hebben de reputatie alles wat beweegt te verscheuren, daarom blijven ze opgesloten in een hondenren.
En het weeskind, zelf moeder geworden, zal later vervolgens verklaren, “En weet je waarom de honden mij niet beten? Omdat de dieren wisten dat ik een goed kind was. Want een hond kan goede van slechte mensen onderscheiden aan hun lichaamsgeur. De honden herkenden in mij een zuivere ziel. De ziel van God, van Maria en van Jezus.”
Het kind loopt aan de hand van haar bevende stiefmoeder met de mannen terug naar de boerderij, waar de maaltijd wacht. Het goede nieuws zorgt voor een uitgelaten stemming aan tafel en scherpt de eetlust aan. Men wedijvert nu in het uiten van lofzangen aan de voorzienigheid en het verorberen van de welverdiende toespijs.
Te midden van het kabaal eet het weesmeisje langzaam en stilletjes haar boterham met melk. Niemand merkt dat haar gezicht met een innerlijk licht straalt telkens iemand roept, ”Dat kind en die honden? Dat is een mirakel!”.

5 opmerkingen:

סוזט ממן zei

Thank you :)
Did she have friends?

It made me think for a second about Romain Gary's White Dog. I loved this book as a kid. I was also enchanted with Jean Seberg story.

frater Bernardus zei

I am glad you like it. I am afraid she did not have much friends in this very small village.

סוזט ממן zei

No, I thought of needing to cling to the idea you are "een zuivere ziel. De ziel van God, van Maria en van Jezus" because nobody else adores you in the critical period where you truly need to be adored (hopefully by your caregivers). I thought that it might repulse those who are not, and that she might had problems to relate inimately to others cause they were so "fallen" in comparison with her. Therefor my question is nore general and covers not her childhood only, could she be less than pure to allow herself to be loved?

frater Bernardus zei

I think, here you make a very important statement and ask a very pertinent question.
In the next future I will write about her need for purity (to be loved?). A whole lot of my stories will indeed evolve around your question ‘could she be less than pure to allow herself to be loved’ AND ’could she love all but the pure?’
You hit the nail right on top, Neria!

סוזט ממן zei

That's because I'm so intelligent! ;)) You know it's like being so pure ;)) Puritans managed to create their own community so it means you must be so intelligent too!
Not seriously, it is a general law. I try to recover from its affect too. I'm more intersted in love and realtions than in love of perfection (and the stagnation and boredom that comes with it).