Voor het slapen gaan of zomaar een paar keer per dag, controleert Jan heimelijk de stapel met oude dekens en gehaakte beddensprei waarin zijn beertje rust . Lang duurt die vreugdevolle bezorgdheid niet. Na een paar dagen wordt de kleine verstekeling ontdekt en bij de oren meegesleurd naar de woonkamer. De moeder gooit de pluchen vriend zonder veel omhaal op tafel en vraagt met luide stem om uitleg, “Wie heeft je die beer gegeven en waarom verstop je hem? Mogen wij die beer niet zien?“.
Jantje zit aan tafel, in zijn hand houdt hij een dik kleurpotlood en voor hem ligt een stuk papier. Hij stamelt, de ogen neergeslagen, “Van grootmoeder gekregen, mama…”
Vader in zijn luie stoel spitst de oren. Hij vouwt zorgvuldig zijn krant dicht, staat op en glimlachend komt hij naast het ventje staan. Met zijn dikke ruwe harige vingers grijpt hij de beer en wijst nadrukkelijk, “Wat is dat hier? Een beer?“
De peuter knikt bedremmeld naar zijn knuffel, die nu hulpeloos voor zijn ogen bengelt.
“Ben je zeker dat het een beer is? Volgens mij is het een lap stof gevuld met stro. Of misschien een zak met zagemeel. Voel maar eens”, vader overhandigt hem achteloos het stuk speelgoed.
Jan kijkt verward naar zijn beertje.
“Laat het eens op de grond vallen. Je zal zien dat het maar een vod is.”, lacht de vader.
De kleuter staart onthutst naar de vloertegels.
“Vooruit, gooi het op de grond, dat ding zal niet bijten hoor!”, spoort vader aan.
De jongen klemt de beer in zijn hand, zijn ademhaling wordt onrustig.
“Komaan jongen, smijt die troep tegen de vlakte. Of moet je een draai om je oren?!, de man dreigt, een grijns bevriest zijn mond.
Versteend laat Jan de beer uit zijn gevoelloze handen glippen, hij wil niet weten hoe zijn kleine vriend te pletter valt.
“En zet er nu je voet op, schop er maar eens flink tegen,” de vader lijkt op dreef te komen. De zoon voelt de vertrouwde korte droge klap tegen zijn achterhoofd.
Lusteloos beukt Jan met zijn voet op de beer.
“Goed zo, harder, harder! Harder, luiaard!”. Luiaard, de geliefde verwensing van de vader jegens de zoon, nu is het opletten geblazen. En zie, met kalme razernij graait de man de beer van de vloer en gooit hem op de grond, en opnieuw, en opnieuw, steeds krachtiger tot hij rood aangelopen naar adem snakkend op een stoel neerzijgt.
De moeder die het tafereel eerst afstandelijk gadesloeg, komt nu naderbij en legt vertroostend haar hand op de schouder van haar toegewijde echtgenoot.
“Wat een moeite moeten we ons niet getroosten om een kind op te voeden” verzucht ze en ze veegt teder het zweet van vaders voorhoofd.
“Inderdaad, wetenschappelijke kennis is van het allerhoogste belang. Het is onze plicht om die jongen te onderwijzen over de aard van de dingen. Hij mag niet zo maar klakkeloos aanvaarden wat men hem toestopt, hij moet vastberaden zijn alles zelf ten gronde te onderzoeken. Het is een harde les voor hem, maar een noodzakelijke les voor ons allemaal. Onze verantwoordelijkheid voor de toekomst van de nieuwe mens!”, de vader spreekt en blikt star voor zich uit. Hij doceert voor een onmetelijk publiek.
Epiloog.
Enkele dagen later,de vader en de moeder doen boodschappen, de jongen is alleen.
Rustig neemt Jan de beer op schoot. In zijn rechtervuist glimt een schaar. Zorgvuldig knipt hij de draadjes van de bolle berenbuik door. Stro perst naar buiten. Als een dier dat bloed ruikt, snijdt hij de loshangende lapjes pluche door, steeds sneller. Gespannen onderzoekt hij de hoop vodden en stro, of is het zagemeel? Vader heeft gelijk, vader heeft altijd gelijk.
Een afgehakte berenkop loert naar hem met lodderige ogen, als losgeknipte pareltjes aan een stukje draad. Verstilt voelt bij een krop in de keel. Een paar tranen glijden koud langs zijn gloeiende wangen. Hij knippert met de ogen, slikt door en veegt dan haastig de vochtige sporen onder zijn ogen droog.
“Ik word gek” denkt Jan.
KARMA
7 jaar geleden

1 opmerking:
Schokkend.
My criteria for good literature is whether I cry or not. Very simple.
I cry.
Een reactie posten