maandag 10 maart 2008

Vleselijk lichaam (deel 1).

De wereld is slecht. Kommer en kwel, ziekte en dood, het leven is een ellendige kruisweg, pijn en lijden ons dagelijks brood. De moeder knielt bij het bedje van haar kind en jammert. Haar treurige woorden bedroeven de peuter. In zijn oogje welt een traan.
“Maar als je groot bent zal alles beter gaan”, belooft ze hem. “In de toekomst zullen doctors alle ziekten en elke pijn uitbannen. Nog eventjes doorbijten en alles komt goed.”
Ze slaat haar armen stevig om hem heen en kust hem langdurig op zijn bolle wangen.
Dan staat ze recht en fluistert,“En nu lekker slapen. Pas op, vergeet niet je armen mooi over je borst te kruisen.”
Gehoorzaam slaat het kind de armen over zijn borstkas. Moeder heft het deken omhoog en speurt aandachtig rond. Dan sjort ze de lakens stevig vast, geeft hem een nachtkus op zijn voorhoofd en knipt het licht uit. Spoorloos verdwijnt ze in de duisternis.

De vijfjarige raakt geïntrigeerd door dit dagelijks ritueel voor het slapen gaan. Waarom trekt moeder na elke omhelzing zijn warme deken weg? Hij voelt zich naakt en onderuitgehaald, alsof hij een geheime misdaad heeft begaan. Het antwoord, dat ze moet kijken of alles in orde is, klinkt niet echt geruststellend.
En waarom moet hij steeds met gekruiste armen in bed liggen? Haar uitleg over brave kinderen en aangename dromen overtuigt niet. Ondanks zijn gekruiste armen wordt hij vele nachten achtervolgd door angstaanjagende beelden. Houden de volwassenen hem soms voor de gek?
Moeizaam duwt hij de knellende dekens wat losser. Met zijn vrije handen tast hij tussen de gladde koele lakens. Alles lijkt in orde. Wat zou er mis kunnen lopen in dit kleine kleuterbed? Ah, en waarom praat moeder zo vaak over treurnis als ze samen zijn? Peinzend wrijft hij achterloos over zijn borst, zijn buik, zijn benen. Het kriebelt en voelt warm aan. Alles is hetzelfde, alles is in orde.
Opeens hoort hij regen tegen de ruiten tikken. De wind steekt op en huilt klaaglijk in de schoorsteen, een eng geluid. De dunne gordijnen voor het raam laten een zwak lichtschijnsel binnen en in dit vale schemerlicht komen naargeestige schaduwen tot leven. Jantje is bang, maar geeft geen krimp. In een slaapkamer hoort niemand je huilen. Hij krabt nog wat harder aan zijn buik, het warme gevoel vertroost hem.
Vermoeid sluit hij de ogen en onderdrukt de neiging om aan zijn duim te zuigen. De dreiging van vader om mosterd aan zijn vingers te smeren is afdoende.
Hij wil op een zij draaien, maar merkt iets vreemds op. Zijn plassertje drukt tegen het deken. Gestoord wil hij deze weerbarstige vinger terug op zijn plaats duwen; het lukt hem niet. Hij prutst er wat aan maar het plassertje wil niet wijken. Integendeel, hoe meer hij het lichaamsdeel aanraakt hoe aangenamer zijn buik aanvoelt. Na een tijdje stroomt een weldadige warmte door zijn lichaam. Behaaglijk en tevreden valt hij in slaap. Buiten luwt de storm.

De volgende dagen verkent hij uitgebreid buik en plasser. Het goede gevoel stelt hem niet teleur. Het goede gevoel laat hem niet in de steek. Het lichaam voelt verrassend goed aan.
Hij is trots op zijn ontdekking.

2 opmerkingen:

סוזט ממן zei

:) Lucky guys! I had to stick to duim zuigen and had years of war with my father about my right to comfort myself this way. We both lost.

frater Bernardus zei
Deze reactie is verwijderd door de auteur.