donderdag 7 februari 2008

Laatste middag in Arnhem, 1994.

Half tien in de morgen. Uitchecken en de bagage in bewaring geven aan de balie van het hotel. Er rest Jan nog een paar uur voor de trein vertrekt. Wandeltijd.
De zon schijnt fel, toch voelt het kil aan. Een strakke morgenbries jaagt op de schaarse toevallige wandelaar. De lege ramen van het Spijkerkwartier getuigen van een drukke nacht, als zwerfvuil na een wild feest. Aan het eind van de straat merkt Jan in een verwaaid portiek een mooi meisje op. Een glimlach onder vermoeide ogen. Ze groeten elkaar, hij gaat naar binnen en volgt haar op een smalle trap. Haar ruime werkkamer ruikt naar oud zweet en slaap.
‘Ik werk een dubbele shift om geld te kunnen opsturen, maar soms ben ik zo moe dat ik op het bed in slaap val’, glimlacht ze. Een werkdag van 20 uur is geen uitzondering. Hij luistert, hangt zijn kleren aan de haak en gaat vervolgens op het oude bed liggen. Ze vleit zich naast hem neer en streelt zijn lichaam in trage cirkels, ‘Neem gerust je tijd, we zijn niet gehaast.’
Het meisje is lief en ruikt naar kool. Thaise meisjes ruiken vaak naar groene kool; je voelt je snel thuis. Hij verkent haar huid nu, zacht en koel als zijde. ‘Laten we elkaar verwarmen’, zucht Jan en hij trekt haar speels dwingend naar zich toe. Ze giechelt, kijkt hem even ernstig aan en zegt, ‘Jij bent een heel, heel aardige man.’ Hij glimlacht. De warmte van haar buik maakt hem loom, teder kust hij haar hals en schouder. Ongemerkt raakt hij opgewonden, maar ze is ervaren en bijdehand. Spoedig weerklinkt geklets van naakt vlees wanneer ze hem met kracht berijdt. Dat bespottelijk geluid verbaast en verontrust hem, steeds opnieuw. Hij lacht verlegen, pakt haar vast bij de heupen en laat haar dan in zijn armen glijden om opnieuw van haar warme gloed te kunnen genieten. Haar lichaam koestert als een deken. Ze kijkt hem ongemerkt nieuwsgierig aan. Ne een tijdje neemt ze plots zijn gezicht in haar handen, omhelst hem en kust hem. Langdurig en intens verkleven ze tot één vlees.
Jan?
Behoedzaam richt ze zich op, streelt zijn wang en spreekt op kalme toon, doordrongen van oneindig mededogen en oprechte boosheid :”Wat hebben ze jou aangedaan ?...”
Haar woorden dragen hem uit zijn verdoving. Hij gloeit van de koorts. Zijn huid dampt en druipt van het zweet. Hij probeert overeind te klauwen. Zijn mond is droog, zijn stem hapert rauw en schor. Verwarde ogen, lippen van angst vermomd als doodsgrijns.
Het meisje aarzelt niet, ze neemt hem stevig bij de arm. Geduldig droogt ze zijn klamme vel en gebiedt hem even uit te rusten. Verwijt noch vrees bespeurt men in haar blik.
Na enkele minuten voelt Jan zich voldoende hersteld, hij staat op en kleedt zich aan. Ze helpt hem in zijn jas. Hij bedankt haar nadrukkelijk. Zijn stem klinkt hol.
‘Je mag altijd terugkomen’, verzekert ze hem, ‘Jij bent altijd welkom. Altijd’.

En Jan gaat heen, haar troost als een zware schuldenlast met zich mee dragend.

Een paar maanden later keert hij terug om haar op te zoeken. Maar ze was er niet meer. Nooit zag hij haar teug. Soms meende hij haar te herkennen in een glimlach, een silhouet, een bevallige arm.
Zij weet wie hij is.

4 opmerkingen:

סוזט ממן zei

What kind of attack it was? Is it always returning?

It feels me with sadness but i think it's ok. It should.

סוזט ממן zei

"De lege ramen van het Spijkerkwartier getuigen van een drukke nacht, als zwerfvuil na een wild feest". This is a beautiful simile.

frater Bernardus zei

I did not now what kind of attack it was then, but I think it was a kind of PTSS. The girl understood it immediately.

סוזט ממן zei

I would fall inlove with her too.